18. Spel: Broodjes bakken

Leg de matten neer. Verdeel de kinderen in drie groepen en zet ze in een vak. Elk groepje krijgt de naam van een ingrediënt dat nodig is om brood te bakken. Speel eerst zelf voor bakker. Zeg; ‘Ik wil het meel’. Maar de kinderen uit het meelvak willen niet in de kom en lopen zo snel mogelijk naar het lege vak. Trek een boos gezicht en zeg: ‘Ik wil de gist’. Het groepje ‘gistkinderen’ kijkt welk vak leeg is en loopt daar zo snel mogelijk heen. Doe dit een aantal keren zodat de kinderen goed weten bij welk groepje ze horen. Wijs een kind aan als bakkersknecht. Deze probeert zoveel mogelijk kinderen te tikken die naar een leeg vak overlopen. Wie getikt is, gaat in de kom zitten. Na een paar beurten worden de kinderen in de kom geteld en wordt een nieuwe bakkersknecht aangewezen.