2. Voorleesverhaal

Voorlezen en naspelen

Lees het verhaal voor. Lees het dan een tweede keer voor en gebruik tijdens het voorlezen de dieren en de voorwerpen die in het verhaal voorkomen.

Laat een volgende keer een paar kinderen het verhaal spelen terwijl je het verhaal vertelt of voorleest. Na een paar keer kunnen de kinderen het verhaal zelfstandig vertellen en het met de dieren naspelen.

Tekenen en schilderen
Je kunt de kinderen ook laten tekenen of schilderen naar aanleiding van het verhaal. Spreek bijvoorbeeld af dat elk kind een ander stukje van het verhaal uitbeeldt. Uiteindelijk kun je er zo een boekje van maken, door de tekst erbij te schrijven.  

Pictogrammen
Kopieer het werkblad op stevig karton. Bekijk de plaat met een klein groepje kinderen en lees het hardop voor. Wijs de woorden aan en laat de kinderen de plaatjes raden. Na een paar keer kunnen de kinderen het verhaal zelfstandig (voor)lezen.